Van de Predikant

Maandelijkse overdenking door de predikant van onze gemeente, 
ds. Joep van den Berg.

Marcus 10

De rijke man
Ja maar meester, zegt die rijke man tegen Jezus; de geboden doe ik al van jongs af aan. Ik doe toch m’n best een goed mens te zijn, Meester, sinds mijn jeugd heb ik me daaraan gehouden. Oké, misschien wat jeugdzonden, maar verder nix aan de handa.
Maar dan komen zijn woorden: Eén ding ontbreekt je: ga naar huis, verkoop alles wat je hebt, geef het geld weg, dan komt het op de bank in de hemel te staan, kom terug en volg mij.

Het snijdt de man hier door de ziel, diep en strak tot daar waar het klopt en zweert. Ja, hij wil graag dat het leven echt goed wordt, hij verlangt naar een goede wereld, eerlijk, geen pijn, levend, open, alles klopt. Maar in die goede wereld moet wel het een en ander net zo zijn als in deze: hij moet bijvoorbeeld wel rijk kunnen blijven. God had hem toch zeker niet voor niets gezegend met al zijn bezittingen?

Er valt ons weer iets op. Jezus zegt niet dat het onmogelijk is voor een rijk iemand om het domein van God binnen te gaan. Maar eerder gaat een kameel door het oog van de naald, dan dat een vermogend mens het Koninkrijk binnengaat. In het latere Jodendom leveren de rabbijnen ons over dat ook een olifant lastig door het oog van een naald gaat.
Jezus brengt het contrast aan tussen het grootste dier dat bekend was in het Jodendom van zijn tijd en het kleinst mogelijk gaatje dat Hij kon bedenken.
Het belangrijke punt dat Jezus maakt en dat voor ons belangrijk is om erover na te denken en in ons leven toe te laten is: redding en bevrijding, het zogenaamde eeuwige leven wordt nooit bereikt door menselijke inspanning. Om als het ware jezelf het Koninkrijk van God binnen te persen.

Hoe zou het zijn om onverdeeld gelukkig te zijn. Als er een tijd, een wereld zou komen waar dat allemaal zo was, en nog veel meer, ik denk zo, we zouden er allemaal wat graag bij willen zijn en een eigen plek in krijgen.

Dat hebben we dan in ieder geval gemeenschappelijk met die man hier die naar Jezus toekomt. Hij wil deel krijgen aan ‘het eeuwige leven’ staat er. Dat is echt niet zo geestelijk, bovenaards, vroom en ‘naar de hemel gaan als je sterft’-achtig als wij zomaar denken. Zoals aan het eind blijkt (vers 30) gaat het bij het eeuwige leven om het leven in ‘de tijd die komt’. Dat wil zeggen: de tijd die komt hier op aarde als God als koning is gaan optreden, alles recht gezet heeft, iedereen bevrijd en genezen is en het leven echt, echt goed geworden is: iedereen onverdeeld gelukkig, echt levend als mensen, met God en elkaar, en dan voor altijd. Een echt goede wereld dus, precies die wereld waar wij ook naar verlangen.

God geeft het uit vrije wil en vanuit zijn liefde die wij genade noemen aan mensen als een geschenk.
Het binnengaan in het Koninkrijk, ofwel het eeuwige leven, wordt nooit bewerkt door enige menselijke arbeid, hoe vroom ook en hoe kerkgaand we ook zijn.
God geeft de entree in zijn domein, in zijn wereld, als een vrij geschenk aan mensen; toen en in onze tijd nog steeds iedere dag.