Van de Predikant

Overdenking van ds. I .Padmos

Meditatie: Pinksteren

Ik ben gaan inzien dat het geloof een organisme is dat groeit met de tijd.
Blijft het stabiel, dan sterft het.
Wil het voortleven, dan moet het kunnen veranderen.
(Godfried Bomans)

Het inspirerende bericht over de eerste christenen heeft iets van bronwater hoog in de bergen, het bruisende begin van een grote rivier. De woorden van gemeenschap, van samen delen, van eenvoud en verbondenheid, een instaan voor elkaar, ze ademen nog de gloed van de Geest, zuiver, oorspronkelijk en onbedorven als het water aan de bron.

Maar dat bronwater zoekt zich een weg naar beneden, tuimelt en spat, schuurt langs weerbarstig gesteente, snijdt diep in de aarde, baant zich een bedding breed uit in het land, en onafzienbaar wijd en traag stromend is er weinig herkenbaar van dat sprankelend begin.
Zo is het ook met de woorden van Handelingen 2. Ze vertolken de vreugde, de begeestering van het begin, er waait een geest van openheid, van: alles kan. Mensen raken geïnspireerd, in vuur en vlam. Ze worden enthousiast, en dat betekent letterlijk ‘in-God-zijn’. Het slot van Handelingen 2 vertelt over het leven van de eerste gemeente. Ze vormden een gemeenschap en deelden ook alles gemeenschappelijk.

Maar als die woorden van gemeenschap en saamhorigheid, van delen wat je hebt, hun weg zoeken in het gewone leven, als ze ingaan in de harde weerbarstige grond van het mensenbestaan, dan is het of ze hun vaart verliezen, dan lijkt de gloed van het visioen af te koelen aan de werkelijkheid, dan stremt het in vaak onoplosbare problemen.
In de brede rivier van wat ooit uitgegroeid is tot kerk, tot kerkelijk leven, is het water tot op de dag van vandaag vaak tot stilstand gekomen, is het vertroebeld en vervuild, door talloze binnenkerkelijke onverkwikkelijkheden, waarbij vaker nadruk ligt op wat mensen van elkaar scheidt dan op wat hen samenbindt. Voor veel mensen is er eigenlijk nauwelijks nog iets te bespeuren van het sprankelende visioen van het begin, van dat vuur van de Geest.

Stilstand is achteruitgang. ‘Wil het geloof voortleven, dan moet het kunnen veranderen’, schreef Bomans. En er liggen nog allerlei kansen om die sprankel van hoop en enthousiasme levend te houden. Dat is zeker ook gebleken tijdens de coronacrisis.
Pinksteren is het feest van hoop. De geest van Jezus wil motiveren en bevrijden van dat verlammende gevoel dat alles zo zinloos zou zijn. Mensen raken geïnspireerd. Niet met het doel mensen tot lid van een christelijke kerk te maken, maar om mensen in dit soms duistere en droevige bestaan op te beuren, hoop te geven, een goed bericht te brengen in een wereld waar de slechte berichten aan de lopende band worden doorgegeven. Met Pinksteren gaat er een frisse wind waaien, die mensen de lange adem kan geven om Jezus na te volgen in het geven van hulp en troost en het doen van wat rechtvaardig is en goed.

Voor de kerkelijke gemeenschap betekent dat ook, denk ik, het gemeenschappelijk maken, het elkaar deelgenoot maken van wat mensen bij zich dragen aan geloof, aan blijdschap, dat je deelneemt aan elkaars vreugde, elkaars geloof, en dan ook deelneemt aan elkaars ongeloof, elkaars twijfel, aan elkaars verdriet. Dat mensen toegang krijgen in elkaars gevoelens van verlorenheid, van eenzaamheid, dat betekent het ook.
Als ons hart geraakt wordt door de onvoorwaardelijke liefde, die Jezus zijn medemensen heeft getoond, dan kunnen we bergen verzetten en over muren springen. Dan kunnen wij er daadwerkelijk voor elkaar zijn en kleur geven aan elkaars leven!